Haïti likt zijn wonden

Haïti is een van de armste landen ter wereld. Het land ligt bovendien in de Caraïben, een gebied waar jaarlijks enkele verwoestende orkanen voorbijrazen. Vorige maand nog veroorzaakte dergelijke duivelse wervelwind een humanitaire catastrofe in de noordelijke stad Gonaïves. Er zijn totnogtoe drieduizend doden geteld en in de stad heerst volslagen chaos.

De orkaan raast over Haïti. Gonaïves, met zo’n 300.000 inwoners de vierde stad van het land, wordt bedolven onder een moordende stroom van water en modder. Op verschillende plaatsen staat het water drie tot vier meter hoog. De gevolgen zijn hallucinant: vandaag zijn er al drieduizend doden geteld. Meer dan achthonderd mensen zijn nog altijd vermist. Drie weken na de orkaan rijden we van de hoofdstad, Port-au-Prince, naar Gonaïves. Aan het Hôpital Eben-Ezer, even buiten de stad, houden we voor het eerst halt. “Dit is één van de vier medische centra in Gonaïves die nog over geneesmiddelen en een degelijke medische uitrusting beschikken’’, vertelt Ralph Midy, een plaatselijke medewerker van de kinderrechtenorganisatie Unicef. “Hier wordt medische noodhulp verschaft aan slachtoffers van de ramp, maar hier vinden ook bevallingen plaats en worden er massaal vaccinaties toegediend. “Ons grootste probleem vandaag is de afwezigheid van drinkbaar water. Het risico op epidemieën, diarree of huidziekten is daardoor heel groot.’’

Modder en dysenterie

Voor het ziekenhuis ontmoeten we de twee Franse politieagenten die ons konvooi de hele tijd zullen begeleiden in de stad. Ze geven ons een weinig bemoedigend beeld van de situatie in de stad. “Drie dagen na de ramp waren er al militairen in Gonaïves. Maar in de stad is er werkelijk niets. De mensen moeten zich zien te redden met de schaarse middelen waarover ze beschikken. Van enige structuur is trouwens totaal geen sprake. Zo komt de modder die de mensen wegscheppen veelal terecht in de rivieren en de kanalen die voor een goede afvoer van het water moeten zorgen. Bovendien gebruiken de mensen hetzelfde water, dat door de straten stroomt, om te koken. Dat veroorzaakt dysenterie. Er is een waterzuiveringssysteem, maar dat zuivert slechts 45 kubieke meter per dag. Een druppel op een hete plaat.” Volgens de Franse agenten zijn de mensen doodsbang voor nieuwe overstromingen.’

Bovendien zijn ze vrij agressief. “Tja, wat wil je als de zenuwen gespannen staan en er nauwelijks voedsel is? Vergeet niet dat er in sommige huizen maar liefst tien doden vielen. Bovendien worden we geconfronteerd met georganiseerde bendes die munt willen slaan uit de situatie en op jacht gaan naar de weinig waardevolle dingen die in de stad te vinden zijn. Er zijn ook politieke organisaties die profijt willen trekken van de noodsituatie: ze beweren dat de ramp de wraak is van de ex-president, Jean-Bertrand Aristide, omdat hij van de macht is verdreven en nu als banneling in Zuid-Afrika moet wonen. In een maatschappij waarin voodoo-praktijken dagelijkse kost zijn, vallen zulke verklaringen niet in dovemansoren. U begrijpt dat ons werk er niet makkelijker door wordt. Deze stad is in de greep van de totale chaos.’’

We vragen de politieagenten waar de duizenden daklozen – naar schatting 200.000 mensen – de nacht doorbrengen. “Er zijn vrij snel 52 vluchtelingenkampen gevormd in scholen en kerken die nog overeind staan. Maar die toestand kan geen maanden blijven duren. Er is dringend meer hulp nodig.’’

Dood in de ogen

We rijden Gonaïves binnen. Omdat de situatie in de stad erg gevaarlijk en explosief is, mogen we de terreinwagens, die moeizaam door straten vol water en modder ploeteren, helaas niet verlaten. Gesprekken voeren met de slachtoffers aan de rand van de straat zit er dus niet in. Die proberen met alle middelen – vaak zijn dat alleen hun handen en een aftandse schop – de modder weg te krijgen. We passeren honderden verwoeste huizen en huiveren bij de gedachte dat in de meeste stenen blokken wellicht één of meerdere dodelijke slachtoffers vielen.

We komen aan bij La Providence, het grand hôpital van Gonaïves dat door de orkaan tot een zielige ruïne is herleid. Dokter Paul Sint-Gilles, de directeur van het ziekenhuis, is aangeslagen, maar erg vriendelijk. Hij leidt ons mee naar de pediatrie, waar het water twee meter hoog stond. “Gelukkig konden de vijftien kinderen die hier verbleven, gered worden’’, vertelt hij. “Het is een wonder dat hier maar negen doden vielen: zeven patiënten en twee vrouwelijke medewerkers. Voorlopig weten we absoluut niet waar we aan toe zijn. We maken ziekenhuis eerst grondig schoon. Daarna zien we wel. Misschien kunnen we het beter helemaal afbreken en opnieuw bouwen, maar wie gaat dat betalen?’’

Behalve het ziekenhuis zijn ook alle vierhonderd scholen van de stad getroffen door het orkaangeweld. Bijzonder triest is de aanblik van het Collège Saint-Pol. Unicef-Haïti heeft hier enkele maanden geleden nog zwaar geïnvesteerd in nieuwe sanitaire voorzieningen. In één van de klaslokalen zien we op het bord de laatste woorden die de leerkracht heeft opgeschreven vooraleer het schooltje werd overspoeld. De vloer ligt vol modder, de banken en stoelen zijn tot schroot herleid. Toch is niet alles verloren: de bibliotheekvloer is bezaaid met boeken waarvan er nog een heleboel gerecupereerd kunnen worden.

“Ondanks alle ellende willen we er zo snel mogelijk voor zorgen dat de kinderen uit de stad opnieuw onderwijs kunnen volgen’’, vertelt Unicef-medewerker Griche Leponte. “Maar we hebben dringend nood aan enkele honderden medewerkers om de boel proper te maken en weer schoolklaar te krijgen. Iedereen heeft de handen vol met het reinigen van de eigen woning.’’

Dagelijks 120 ton voedsel

Eén van de moeilijkste ondernemingen in de geteisterde stad is de dagelijkse voedseldistributie. Vanuit het centrale distributiecentrum, dat met VN-helikopters en -vrachtwagens wordt bevoorraad, vertrekt dagelijks 120 ton aan voedselpakketten naar vier verschillende locaties in de stad. Dat verloopt niet zonder slag of stoot: het centrale verdeelcentrum is al enkele keren door gewapende bendes aangevallen. Bovendien mogen zich alleen nog vrouwen en kinderen melden bij de distributiepunten. Op die manier hopen de blauwhelmen de controle te bewaren.

Per distributiepunt kunnen maximaal 3.000 mensen bevoorraad worden. In totaal zijn dus dagelijks 12.000 rantsoenen te verdelen, terwijl er in de stad wellicht 200.000 daklozen rondlopen. Delen is dus de boodschap, maar van solidariteit is in Gonaïves weinig te merken. Dat merken we als we even later een voedseldistributiepunt bezoeken, waar enkele duizenden vrouwen en kinderen al uren in de brandende zon staan te wachten op hun rantsoen.

Iedereen krijgt 17,5 kg graan of bulgur (tarwekorrels), 2,7 kg erwten, vier sardines, één brood en twintig koekjes’’, vertelt de voedselverdeler Jean Gaby Sanon. Hij windt zich vreselijk op als één van de vrouwen meer voedsel wil meenemen dan waar ze recht op heeft. “In principe krijgen ze één pakket per week, maar we kunnen op geen enkele manier uitsluiten dat bepaalde personen zich vaker aandienen en de extra voedselpakketten voor grof geld verkopen.”

In de wachtrijen lopen de gemoederen intussen hoog op. Enkele vrouwen raken slaags. Een oudere vrouw wordt in haar hand gebeten en schreeuwt het uit. Ze wordt door een toegesnelde hulpverlener geholpen, want alleen kan ze haar graanzak niet meer dragen. Door het voorval neemt de hysterie in de wachtende massa nog toe. We zien hoe voor onze ogen een klein meisje met sierlijke vlechtjes en rode jurk haast vertrappeld wordt en volledig in paniek raakt. Net op tijd wordt ze door één van de aanwezige VN-blauwhelmen uit de massa getild.

Met een gevoel van ontreddering en vooral onmacht verlaten we de onheilsplek. Pikant detail: de dag daarop bezoekt de Haïtiaanse regeringsleider het rampgebied en worden er geen voedselpakketten uitgedeeld omdat de aanwezige blauwhelmen zijn veiligheid moeten garanderen.

Hoop doet leven

Op de terugweg vragen we ons af of deze stad en haar inwoners nog een toekomst hebben. Francoise Gruloos-Ackermans, de Belgische directeur van Unicef-Haïti, volhardt. “We moeten ervoor zorgen dat de bewoners zo snel mogelijk terug naar hun huizen kunnen. We streven er nu naar op korte tijd vijftig scholen te heropenen, zodat tien- tot twaalfduizend kinderen weer onderwijs kunnen genieten. Daarnaast willen we ook werken aan de psychosociale opvang van de kinderen in Gonaïves, die door de orkaan ongetwijfeld zware trauma’s hebben opgelopen. Bovendien waren ze begin dit jaar ook al getuige van de politieke onlusten die tot de afzetting van Aristide hebben geleid.’’

De jongeren zijn de enige hoop op een betere toekomst voor dit land. “Dat zij nog vatbaar zijn voor verandering, blijkt uit het project Timoun Ké Kontan dat we samen met enkele plaatselijke ngo’s hebben opgezet. Daarbij zijn zo’n 15.000 jongeren betrokken die op de één of andere manier het slachtoffer werden van politiek geweld. In vijf steden in het noorden van het land spraken we telkens drieduizend kinderen tussen zes en tien jaar aan. Die verdeelden we over een dertigtal publieke en privé-scholen, waar we hen proberen te overtuigen van het belang van waarden als respect, tolerantie en verantwoordelijkheid. Daarnaast bieden we hun creatieve en sportieve activiteiten aan. Het agressieve, gewelddadige gedrag dat de kinderen aanvankelijk vertoonden, ebt daardoor langzaam weg. Ze voelen zich steeds beter in hun vel. Het land heeft nood aan zulke projecten. We hebben trouwens heel goede reacties gekregen van de rijkere klasse in Haïti. Ons doel is om zoveel mogelijk Haïtiaanse kinderen dat soort kansen te bieden. Het is de enige manier om de spiraal van geweld en armoede te doorbreken.’’

Deze reportage is tot stand gekomen met de steun van Unicef-België. Op www.unicef.be kunt u recente videobeelden van Gonaïves zien.

Storten kunt u op volgend rekeningnummer van Unicef: 000-0000055-55

 

Ruud Van De Locht

 

You may also like

Leave a comment