Moldavië: dooft de laatste het licht?

Moldavië. Wielerliefhebbers denken ongetwijfeld aan Andrei Tchmil, de voormalige onderdaan uit de voormalige Sovjet-republiek. Geen verrassing dat hij zijn land verliet want topsport bedrijven is hier quasi onmogelijk, laat staan overleven. Zelden werden we geconfronteerd met zoveel grauwheid, verbittering en miserie als in dit nochtans vruchtbare lapje grond tussen Roemenië en de Oekraïne. Dit straatarme land, dat bol staat van de corruptie, is doodziek; kinderen en jonge meisjes vallen er ten prooi aan genadeloze mensenhandelaars die mooie sier verkopen met dure auto’s en mooie pakken. Op zondag 6 maart vinden er parlementsverkiezingen plaats in Moldavië maar de hoop en het geloof dat er iets zal veranderen, is zo goed als onbestaande bij de bevolking.

De vergeetput van Oost-Europa. Het kerkhof van de ex-Sovjet-Unie. Een niemandsland… Het zijn maar enkele van de omschrijvingen die ons door het hoofd spoken tijdens ons verblijf in dit land dat ongeveer even groot is als België. Maar daar houdt dan ook elke vergelijking op want Moldavië is straatarm. Reeds tijdens onze tocht van de luchthaven naar het centrum van hoofdstad Chisinau, kijken we de vergane glorie van het Sovjet-tijdperk angstaanjagend recht in de ogen. Appartementsgebouwen als afgebladderde lego-blokken schuiven aan ons blikveld voorbij. De mensen op straat zien er al even mistroostig uit in hun grauwgekleurde kleren, diep weggestoken onder hun dikke pelsen mutsen. We ontmoeten er enkel uitdrukkingsloze gezichten; lachen staat hier duidelijk hoog op de verbodslijst. Er is dan ook weinig reden tot plezier; zelfs de hemel – als die hier al bestaat – oogt midden januari even grijs als de rest.

Zestig procent migratie

Moldavië is één van de armste landen in Europa waar niet minder dan 60% van de bevolking onder de armoedegrens leeft en één op de vier geen job heeft. De gemiddelde Moldaviër verdient een schamele 100 dollar per maand. Van de 4,3 miljoen inwoners die het land telt, verlieten er tussen de 600.000 en 1 miljoen – naar het juiste aantal is het gissen – Moldavië om elders hun tijdelijk of definitief heil te zoeken. In sommige dorpen trok 60% van de bevolking weg. Degenen die niet meer de kracht of de ondernemingszin hebben om hetzelfde te doen, blijven achter in een land dat steeds verder in het moeras wegzinkt. Chisinau blinkt vooral uit door zijn metersbrede en kilometerslange boulevard die duidelijk uit een periode stamt waarin de militaire marsen en 1 mei-vieringen hoog op de agenda stonden. In het straatbeeld zien we nog relatief veel Lada’s en Wolga’s alhoewel ook BMW en Mercedes intussen hun intrede maakten. Jawel, een minderheid in Moldavië verdient duidelijk wél veel poen. Maar de kloof tussen arm en rijk wordt – net als in de andere voormalige Sovjet-republieken – steeds groter.

Wanneer we op de dagelijkse markt arriveren, treffen we een wriemelende mensenmassa die zich doorheen de smalle doorgangen tussen de honderden kraampjes wringt in de hoop er een koopje te doen. Voor onze portemonnee is het hier spotgoedkoop, maar het karige Moldavische maandloon verplicht de marktbezoekers tot een constant spel van afbieden. Even later passeren we het centrale station vanwaaruit bussen naar alle delen van het land vertrekken. Opnieuw honderden nietszeggende, lege blikken turend naar de horizon van een betere toekomst.

Back to the USSR

Dit vergeten stukje land – dat volgens ingewijden erg vruchtbaar is – oogt allesbehalve sexy voor investeerders. En daar zijn opnieuw de kinderen en jongeren het grootste slachtoffer van. Niet minder dan 90%(!) van hen geeft aan het land liever te verlaten bij gebrek aan enig toekomstperspectief. Vaak worden kinderen achtergelaten door hun ouders, die in het buitenland geld proberen te verdienen. “Het ‘ouderlijk gezag’ is hier veel minder sterk aanwezig dan bij jullie in het westen. Nog een gevolg van de voormalige USSR-cultuur”, verklaart onze gids, Unicef-medewerkster Angelina Zaporojan-Pirgari die als assistant project officer van Unicef gespecialiseerd is in kinderhandel. “Het resultaat is dat de kinderen achterblijven bij de grootouders die meestal totaal geen gezag over de jongeren hebben. Anderen hebben helemaal geen familie meer in de buurt en worden vaak in zogenaamde ‘instituten’ opgenomen waar ze meestal in erg slechte omstandigheden verblijven. In totaal huizen er zo’n 14.000 Moldavische kinderen in dergelijke vaak slecht onderhouden gebouwen.”

De meesten onder hen maken hun middelbare school om begrijpelijke redenen niet af waardoor hun tewerkstellingskansen erg beperkt zijn. “Een ideale voedingsbodem voor malafide mensen- en vrouwenhandelaars die de jongeren met grote beloften naar het buitenland lokken. Vooral in de tweede helft van de jaren negentig nam de mensenhandel in Moldavië gevoelig toe; enerzijds omdat de vraag naar goedkope arbeidskrachten in andere landen toenam en de toestand voor veel Moldaviërs steeds uitzichtlozer werd. Naar het juiste aantal kinderen en jonge meisjes die hiervan het slachtoffer worden, is het gissen”, verklaart Angelina.

Onwetende straathoertjes

“Van januari 2000 tot juni 2004 werden er in totaal 1.302 officiële slachtoffers van mensenhandel genoteerd bij het IOM (International Organization for Migration). Het gaat hier zowel om meisjes van 13 tot 18 jaar die in de prostitutie worden gedwongen als kinderen – jonger dan 13 – die in de straten vanalles moeten verkopen en gaan bedelen. Let wel, dit zijn de officiële cijfers maar het werkelijke aantal ligt ongetwijfeld veel hoger. Zo’n 50% van alle bedelende straatkinderen in Moskou komt trouwens uit Moldavië. Volgens officieuze bronnen zouden er jaarlijks minstens 5.000 minderjarigen vanuit Moldavië enkel naar Rusland gevoerd worden en er zich onder dwang prostitueren.”

Vooral de kinderen op het platteland vormen blijkbaar een erg kwetsbare groep. “Hun levensstandaard ligt erg laag, de meeste jongeren zijn er zich niet bewust van het gevaar voor mensenhandel, een aantal onder hen is zelfs nog analfabeet. Hun toekomstperspectief is quasi nihil. Bovendien zijn de kinderen, die opgroeien in de ‘instituten’ nog eens extra kwetsbaar omdat ze op 16-jarige leeftijd de instelling moeten verlaten en vaak niet weten waar naartoe. Op dat moment hebben ze geen enkele kans op een job en een familiaal of sociaal netwerk ontbreekt volledig. Eén op de honderd Moldavische kinderen bevindt zich in deze situatie.” Onze tocht naar dat platteland verloopt via erg gehavende wegen. Onderweg zien we hoe een splinternieuwe rode Lada, die volledig met bloemen is versierd, wordt gewijd tegen naderend onheil. Hij zal de Godszegen kunnen gebruiken.

Dat de levenssituatie voor de plattelandsbevolking inderdaad erg ondermaats en uitzichtloos is, ervaren we wanneer we arriveren in het stadje Orhei. Fotograaf Kris maakt onmiddellijk een vergelijking met de Middeleeuwen. Ik heb niet in die tijd geleefd maar vermoed dat de omschrijving vrij treffend is. Straten zijn hier herschapen tot modderpaden, afgezoomd met hier een daar een armtierig huisje dat het zonder sanitair moet stellen. Voor zuiver water zijn de bewoners aangewezen op de waterputten die je op verschillende plaatsen in de stad vindt. We hebben het epicentrum van ‘het totale niets’ bereikt. Voor een jongere mét toekomstdromen – en welke jongere heeft die niet – moet dit de hel zijn. Gelukkig zijn er nog mensen die tegen de stroom oproeien zoals burgemeester Ion Vlas en zijn broer Vladimir, die hier als één van de eersten in Moldavië een Youth Friendly Centre uit de grond stampten. “In dit huis kunnen de jongeren van dit dorp na schooltijd terecht om zich te amuseren of te studeren. We hebben een aantal computers voor hen ter beschikking. Zowat elke jongere uit deze stad komt hier regelmatig over de vloer.”

Eén van hen is de 13-jarige Dominique die alleen met zijn werkloze vader in Orhei woont. Zijn moeder werkt in Moskou als interieurontwerpster voor appartementen en stuurt geregeld geld op. “Het is intussen twee maanden geleden dat ik haar nog zag en het duurt nog eens twee maanden voordat ze terug naar huis komt. Het is niet gemakkelijk om hier te leven”, vertelt hij ons. “Gelukkig kan ik elke dag in het jeugdcentrum terecht zodat ik toch nog een beetje plezier kan beleven met de andere kinderen van Orhei. Als we hem vragen wat hij later wil worden, antwoordt hij spontaan: “Pianist. Het probleem is echter dat de piano op school, waarop ik leerde spelen, nu stuk is. We hebben dus dringend een andere nodig.” Tijdens het gesprek met Dominique komen we ook te weten dat zijn 21-jarige zuster met een Belg getrouwd is en ook in ons land woont. “Ze belt me geregeld en stuurt af en toe geld op. Ik hoop haar zo snel mogelijk eens te kunnen bezoeken”, klinkt het verlangend. Vladimir Vlas, de coördinator van dit jongerencentrum, merkt op dat de kinderen meer opkomen voor hun rechten, sinds ze hier over de vloer komen. “Bovendien zorgen we er op deze manier voor dat ze niet de ganse tijd op straat rondhangen en een gemakkelijke prooi voor mensenhandelaars vormen”, klinkt het oprecht fier. Met een gevoel van diep respect nemen we even later afscheid van de twee ‘Robin Hood’s’ van Orhei.

Job als lokaas

De meeste jongeren, die in de handen van mensenhandelaars vallen, worden verleid met aanlokkelijk klinkende jobopportuniteiten. “Velen van hen gaan in op werkadvertenties in het buitenland. Daarnaast bestaan er ook toerismebureaus die een volledige migratieservice aanbieden of huwelijksagentschappen die met buitenlandse partners op de proppen komen. Maar vaak worden de jongeren ook gewoon aangesproken op straat of geronseld in restaurants, bars of discotheken”, aldus Angelina. Dat het aanbod daar inderdaad hoog ligt, merken we. Het is erg opvallend dat er in de meeste restaurants die we bezoeken relatief veel mooie en sexy opgetutte vrouwen verschijnen, al of niet vergezeld door een man. Hun blikken verraden dat ze op zoek zijn naar ‘mannelijk wild’; het liefst van het soort dat over voldoende dollars of euro’s beschikt en – wie weet – hen zelfs een vrijgeleide naar het ‘rijke westen’ kan bezorgen. In een bepaalde bar-restaurant worden ook geregeld meisjes afgehaald; een zogenaamde ‘pick-up bar’. De gemiddelde vraagprijs van de meisjes bedraagt 50 euro per nacht.

Wanneer we de volgende ochtend Angelina opnieuw ontmoeten, vragen we haar of ze een gezicht kan kleven op de gemiddelde mensenhandelaar. “Het zijn overwegend mannen in de leeftijdsgroep 20 tot 30 jaar, maar er bevinden zich even goed vrouwen tot zelfs hele families tussen de handelaars. In een aantal gevallen zijn het leden van internationaal georganiseerde, criminele bendes maar ook pooiers, ordinaire oplichters en een toenemend aantal vrouwen die vaak zelf voordien het slachtoffer werden van mensenhandel. Tot slot zijn er nog de zakenmensen, politiemannen en zelfs politici die onder één hoedje spelen met de bendes en meesnoepen van de financiële koek die soms erg groot is. Van een bepaald meisje kregen we te horen dat ze op een half jaar tijd 30.000 dollar verdiende voor haar pooier. De meisjes worden ook vaak verkocht; hun prijs varieert van 50 tot vele duizenden dollars, afhankelijk van hun uiterlijk, het land waar ze verkocht worden en hun leeftijd. Een maagd levert bijv. 150 dollar extra op. De meisjes worden over gans Europa verspreid tot in Israël en de Verenigde Arabische Emiraten.”

We vragen haar of ze een zicht heeft op de stroom, richting België. “Exacte cijfers bestaan er natuurlijk niet omdat alles in de illegaliteit gebeurt maar we zijn ervan overtuigd dat er ook in jullie land Moldavische meisjes onder dwang in de prostitutie werken. Bovendien is het vermoeden groot dat België tevens een draaischijf vormt vanwaaruit veel meisjes naar andere West-Europese landen worden getransporteerd vanwege zijn centrale ligging.”

Media-revolutie

Uitgerekend wanneer we onze hoop op een beter Moldavië volledig dreigen te verliezen, worden we uitgenodigd in het Youth Media Center in Chisinau. “In dit centrum, dat in 2002 door 11 studenten werd opgestart, wordt het beste mediatalent uit gans Moldavië verzameld”, vertelt Violeta Cojocaru, assistant communication officer Unicef. “Van hieruit wordt de redactionele coördinatie geregeld van niet minder dan 70 schoolkranten, verspreid over het hele land. Elke school die dergelijke krant in elkaar wil boksen, kan op de logistieke en deskundige steun van het centrum rekenen dat bovendien over een radiostudio beschikt waar 20 jongerenradiostations terecht kunnen.

Wanneer we even later in een grote cirkel zitten met stafmedewerkers Ted, Doina, Aurelia, Vadim, Mihai, Natalia en Leonika worden we voor het eerst tijdens ons verblijf overspoeld door een golf van enthousiasme. “Wij willen de jongeren in Moldavië over zoveel mogelijk onderwerpen informeren zodat ze niet langer onwetend zijn. In de schoolkrant komen zowel plaatselijke onderwerpen als thema’s van nationaal belang, zoals de kinderhandel, aan bod. Want enkel door zich bewust te worden van het probleem, kunnen ze zich beter wapenen tegen de mensenhandelaars. Jongeren die dat willen, en over het nodige talent beschikken, kunnen hier een opleiding tot radiojournalist volgen”, klinkt het gedreven. “Bovendien nemen we deel aan tv-shows en schrijven we regelmatig stukken voor de nationale kranten. Die nationale bladen worden namelijk niet geschreven in de taal van de jongeren; vandaar ook het belang van al deze schoolkranten.” Het naïeve enthousiasme van deze jongeren is ontwapenend; hier wordt zelfs constant gelachen. Een verademing tussen al deze ellende…

Bovendien wordt het werk van deze ‘jonge wolven’ blijkbaar ook door de plaatselijke overheid erg au sérieux genomen; vorig jaar volgde de burgemeester van Chisinau hier zelfs een mediatraining. En n.a.v. de nakende verkiezingen op 6 maart willen de jonge mediagoeroe’s een project lanceren dat ervoor moet zorgen dat zoveel mogelijk jonge mensen naar de stembus trekken. Misschien bestaat er toch nog een sprankeltje hoop voor ‘Moldovan’?

Meer info: www.unicef.be

Wie Unicef – dat verschillende projecten ondersteunt in Moldavië om de kinderen en jongeren kansen op een betere toekomst te schenken – wil steunen in zijn strijd tegen de kinderhandel kan dat via het rekeningnummer: 000-0000055-55 met vermelding ‘kinderhandel’.

  

Ruud Van De Locht

 

Kinderstemmen: staalhard maar o zo eerlijk

‘De jeugd van tegenwoordig’ krijgt vaak bakken kritiek omdat ze “geen mening meer hebben en enkel geïnteresseerd zijn in consumptie- en genotsmiddelen”. Toch zouden de volwassenen van deze wereld beter wat meer luisteren naar kinderstemmen, vinden de jongeren die we spraken tijdens het UNICEF-congres ‘Kinderen, actoren van verandering’.

Iva Antoncic (17), Slovenië

Iva woont in de Sloveense hoofdstad Ljubljana in een flat met haar ouders en zuster. Ze volgt momenteel middelbare studies. Wat er nadien volgt, weet ze nog niet exact. “Ik ben erg geïnteresseerd in talen, journalistiek en alles wat met ‘buitenlandse zaken’ te maken heeft”, vertelt ze. Ze is blijkbaar goed op weg want spreekt reeds Sloveeens, Kroatisch, Engels en Italiaans. Daarnaast studeert ze momenteel Latijn en Spaans. Voor haar toekomstig leven koestert Iva geen al te grote verwachtingen. “Als ik een job kan uitoefenen, die ik graag doe, is mijn leven geslaagd. De kans bestaat wel dat ik Slovenië verlaat. Ik was reeds in Londen en vond dat een heel toffe stad, maar ook Mexico spreekt me aan. Toch zal ik op een bepaald moment terugkeren naar Slovenië; zoals de meeste mensen die mijn vaderland verlieten.”

Iva vindt niet dat er in Slovenië voldoende rekening wordt gehouden met de stem van de jongeren. “In tv-shows mogen ze komen opdraven, maar als het over serieuze zaken als politiek gaat, wordt er erg weinig naar ons geluisterd. Of ik zelf ooit een politieke carrière ambieer, weet ik nog niet.” Als ik naar haar idolen vraag, antwoordt ze spontaan: “Mijn ouders. Ik heb enorm veel respect voor mijn vader omdat hij iets van zijn leven heeft gemaakt.”

Ultieme wens: In het leven omringd worden door de mensen om wie ik geef en niet eenzaam sterven.

Christian Guidibi (14), Benin

Christian woont samen met zijn ouders en vijf broers in Cotonou, de hoofdstad van Benin. Hij volgt eveneens middelbaar onderwijs en wil later een beroep uitoefenen waarin hij andere mensen helpt. “Ik denk in eerste instantie aan een functie als sociaal assistent omdat er in Benin nog heel veel nood is aan informatie onder de bevolking.” Een ander groot probleem in Benin is dat van de kinderhandel, waarmee ook Christian in zijn onmiddellijke omgeving werd geconfronteerd. “Kinderen uit mijn buurt waren het slachtoffer van deze wanpraktijken. Gelukkig worden ze nu opgevangen in de speciaal daarvoor opgerichte centra.”

Over de participatie van jongeren in zijn land, is Christian niet tevreden. “Een kleine minderheid, die gestudeerd heeft en zich bewust is van de problemen, mag zijn mening uiten. Maar met de meeste jongeren wordt totaal geen rekening gehouden.”

Naast die hulpverlenende job wil Christian in zijn toekomstig leven ook graag een gezin mét kinderen stichten en een hoop goede vrienden hebben. Zijn idolen zijn mensen die zich inzetten voor de rechten van kinderen. “Zoals prinses Mathilde, Angélique Kidjo of Vanessa Redgrave”, klinkt het.

Ultieme wens: Laat volwassenen wat meer luisteren naar kinderen, overal in de wereld.

Noella Simba Banza (15), Congo

Noella woont in de buurt van Kinshasa met haar ouders, twee broers en één zus. “Een slechte buurt”, vertelt ze. “De huizen zijn er vaak in een slechte conditie. Maar vergeleken met veel andere Congolezen mogen we niet klagen.” Noella volgt een wetenschappelijke richting en wil later graag voor UNICEF werken, maar ook architectuur spreekt haar erg aan. Over de kinderrechten in haar land is Noella niet tevreden. “De politiek beslist constant over de hoofden van de kinderen heen. Er wordt oorlog gevoerd in mijn land zonder dat men ook maar één moment rekening houdt met de gevolgen dat dit heeft voor duizenden kinderen.” De Congolese tiener is verbaal bijzonder sterk. Heeft ze zelf geen politieke ambities? “Ik twijfel. Er zijn teveel politici die vanalles beloven maar er niets van terecht brengen. Diezelfde fout wil ik niet maken.”

Die mening belet niet dat ze erg ambitieus is. Het liefst van al zou ze de toekomstige Kofi Annan worden. “Maar als ik er mee voor kan zorgen dat alle straatkinderen in Congo een betere toekomst krijgen, ben ik al tevreden”, relativeert ze haar droom. Haar grootste idool is Nelson Mandela omdat “die zich heel zijn leven heeft opgeofferd voor kinderrechten.”

Ultieme wens: Mijn steentje bijdragen aan een beter leven voor alle kinderen in de wereld.

Jenny Williams (17), Namibië

Jenny komt uit het plaatsje Omaruru in het zuidwesten van Namibië waar ze leeft met haar ouders, een oudere broer en een jongere zuster. Na haar middelbare studies wil ze economie studeren. “Ik wil de armoede in mijn land helpen bestrijden want die is erg hoog in Namibië”, klinkt het ambitieus en zelfverzekerd. Jenny werkt mee aan het aids-preventieprogramma ‘Mijn toekomst, mijn keuze’. “Ik heb in scholen clubs opgericht die jongeren vertellen hoe ze aids kunnen voorkomen en mensen met de ziekte kunnen helpen”, vertelt ze. Jenny verwondert er zich over dat er in Europa zo weinig rekening wordt gehouden met de rechten van kinderen, want dat gebeurt in haar land wel. “Zo is er bijv. een krant speciaal voor kinderen opgestart die gebruik maakt van eenvoudige Engelse woorden”.

Als ik haar vraag wie haar idool is, antwoordt ze spontaan “Me, myself and I”. “Ik ken mezelf het best en weet wanneer ik goed of fout ben”, verklaart ze zelfbewust.

Ultieme wens: Ik geloof in de Almachtige God en vertrouw erop dat hij mij alles zal geven wat ik nodig heb.

Jon Hudson (15), Groot-Brittanië

Jon komt uit Birmingham en vindt van zichzelf dat hij met een vreselijk accent spreekt. Hij woont in de Engelse stad “waar het leven goed is” samen met zijn ouders, zijn oudere broer en jongere zuster. Hij droomt van een opleiding sociale en politieke wetenschappen. Hij noemt zichzelf een ‘politiek’ persoon en wil later graag aan de slag voor de Verenigde Naties. Momenteel werkt hij in Engeland voor Artikel 12, een organisatie die het gelijknamige artikel van het Verdrag over de Rechten van het Kind promoot. “Ik doe o.a. lobbywerk zodat de Britse regering zijn beleid beter afstemt op de jongeren in het land. Er leven nog steeds teveel kinderen in armoede en zonder onderwijs in Groot-Brittanië. Daarnaast zijn er een heleboel kinderen wiens rechten worden geschonden zonder dat ze het zelf beseffen.”

Jon heeft vele idolen waaronder Tony Blair en Brian Gordon omdat ze zich inzetten ter bestrijding van de armoede in zijn land. Maar hij heeft ook enorm veel bewondering voor de UNICEF-ambassadeurs. “Het is schitterend dat die mensen hun naambekendheid gebruiken voor het goede doel.”

Ultieme wens: In de toekomst bijdragen aan een beter leven voor kinderen wereldwijd.

Inge De Bal (14), België

Inge woont met haar ouders en twee hamsters in Dendermonde. Ze volgt de richting Grieks-Wiskunde en wil later geneeskunde of politieke en sociale wetenschappen studeren. Ze is niet tevreden over de kinderrechten in ons land. “Er gebeuren wel steeds meer onderzoeken naar de meningen van kinderen, maar ik vraag me sterk af of er ook daadwerkelijk iets met deze informatie wordt gedaan.” Zelf draagt ze haar steentje bij als lid van het What Do You Think-project. “Dat is een initiatief van UNICEF dat op zoek gaat naar de meningen van kinderen. We proberen hen bewust te maken van hun kinderrechten; vooral van artikel 12 dat handelt over het recht op participatie.”

De strijd voor kinderrechten ervaart Inge als een levenswerk. “Ik zou het leuk vinden om later eventueel voor UNICEF te werken maar ook de politiek interesseert me want er zijn nog steeds teveel corrupte politici die hun beloftes niet nakomen.”

Martin Luther King is haar grote idool. “Ik vind zijn toespraken indrukwekkend. Voor mij betekenen ze een hart onder de riem wanneer ik het even niet meer zie zitten. Hij kwam op voor gelijke inspraak voor iedereen; niet enkel voor zwarten maar ook voor kinderen. Daarnaast zijn ook alle kinderrechtenactivisten mijn idolen.”

Ultieme wens: Dat er geluisterd wordt naar alle kinderen in de wereld.

 

Ruud Van De Locht

 

 

 

Haïti likt zijn wonden

Haïti is een van de armste landen ter wereld. Het land ligt bovendien in de Caraïben, een gebied waar jaarlijks enkele verwoestende orkanen voorbijrazen. Vorige maand nog veroorzaakte dergelijke duivelse wervelwind een humanitaire catastrofe in de noordelijke stad Gonaïves. Er zijn totnogtoe drieduizend doden geteld en in de stad heerst volslagen chaos.

De orkaan raast over Haïti. Gonaïves, met zo’n 300.000 inwoners de vierde stad van het land, wordt bedolven onder een moordende stroom van water en modder. Op verschillende plaatsen staat het water drie tot vier meter hoog. De gevolgen zijn hallucinant: vandaag zijn er al drieduizend doden geteld. Meer dan achthonderd mensen zijn nog altijd vermist. Drie weken na de orkaan rijden we van de hoofdstad, Port-au-Prince, naar Gonaïves. Aan het Hôpital Eben-Ezer, even buiten de stad, houden we voor het eerst halt. “Dit is één van de vier medische centra in Gonaïves die nog over geneesmiddelen en een degelijke medische uitrusting beschikken’’, vertelt Ralph Midy, een plaatselijke medewerker van de kinderrechtenorganisatie Unicef. “Hier wordt medische noodhulp verschaft aan slachtoffers van de ramp, maar hier vinden ook bevallingen plaats en worden er massaal vaccinaties toegediend. “Ons grootste probleem vandaag is de afwezigheid van drinkbaar water. Het risico op epidemieën, diarree of huidziekten is daardoor heel groot.’’

Modder en dysenterie

Voor het ziekenhuis ontmoeten we de twee Franse politieagenten die ons konvooi de hele tijd zullen begeleiden in de stad. Ze geven ons een weinig bemoedigend beeld van de situatie in de stad. “Drie dagen na de ramp waren er al militairen in Gonaïves. Maar in de stad is er werkelijk niets. De mensen moeten zich zien te redden met de schaarse middelen waarover ze beschikken. Van enige structuur is trouwens totaal geen sprake. Zo komt de modder die de mensen wegscheppen veelal terecht in de rivieren en de kanalen die voor een goede afvoer van het water moeten zorgen. Bovendien gebruiken de mensen hetzelfde water, dat door de straten stroomt, om te koken. Dat veroorzaakt dysenterie. Er is een waterzuiveringssysteem, maar dat zuivert slechts 45 kubieke meter per dag. Een druppel op een hete plaat.” Volgens de Franse agenten zijn de mensen doodsbang voor nieuwe overstromingen.’

Bovendien zijn ze vrij agressief. “Tja, wat wil je als de zenuwen gespannen staan en er nauwelijks voedsel is? Vergeet niet dat er in sommige huizen maar liefst tien doden vielen. Bovendien worden we geconfronteerd met georganiseerde bendes die munt willen slaan uit de situatie en op jacht gaan naar de weinig waardevolle dingen die in de stad te vinden zijn. Er zijn ook politieke organisaties die profijt willen trekken van de noodsituatie: ze beweren dat de ramp de wraak is van de ex-president, Jean-Bertrand Aristide, omdat hij van de macht is verdreven en nu als banneling in Zuid-Afrika moet wonen. In een maatschappij waarin voodoo-praktijken dagelijkse kost zijn, vallen zulke verklaringen niet in dovemansoren. U begrijpt dat ons werk er niet makkelijker door wordt. Deze stad is in de greep van de totale chaos.’’

We vragen de politieagenten waar de duizenden daklozen – naar schatting 200.000 mensen – de nacht doorbrengen. “Er zijn vrij snel 52 vluchtelingenkampen gevormd in scholen en kerken die nog overeind staan. Maar die toestand kan geen maanden blijven duren. Er is dringend meer hulp nodig.’’

Dood in de ogen

We rijden Gonaïves binnen. Omdat de situatie in de stad erg gevaarlijk en explosief is, mogen we de terreinwagens, die moeizaam door straten vol water en modder ploeteren, helaas niet verlaten. Gesprekken voeren met de slachtoffers aan de rand van de straat zit er dus niet in. Die proberen met alle middelen – vaak zijn dat alleen hun handen en een aftandse schop – de modder weg te krijgen. We passeren honderden verwoeste huizen en huiveren bij de gedachte dat in de meeste stenen blokken wellicht één of meerdere dodelijke slachtoffers vielen.

We komen aan bij La Providence, het grand hôpital van Gonaïves dat door de orkaan tot een zielige ruïne is herleid. Dokter Paul Sint-Gilles, de directeur van het ziekenhuis, is aangeslagen, maar erg vriendelijk. Hij leidt ons mee naar de pediatrie, waar het water twee meter hoog stond. “Gelukkig konden de vijftien kinderen die hier verbleven, gered worden’’, vertelt hij. “Het is een wonder dat hier maar negen doden vielen: zeven patiënten en twee vrouwelijke medewerkers. Voorlopig weten we absoluut niet waar we aan toe zijn. We maken ziekenhuis eerst grondig schoon. Daarna zien we wel. Misschien kunnen we het beter helemaal afbreken en opnieuw bouwen, maar wie gaat dat betalen?’’

Behalve het ziekenhuis zijn ook alle vierhonderd scholen van de stad getroffen door het orkaangeweld. Bijzonder triest is de aanblik van het Collège Saint-Pol. Unicef-Haïti heeft hier enkele maanden geleden nog zwaar geïnvesteerd in nieuwe sanitaire voorzieningen. In één van de klaslokalen zien we op het bord de laatste woorden die de leerkracht heeft opgeschreven vooraleer het schooltje werd overspoeld. De vloer ligt vol modder, de banken en stoelen zijn tot schroot herleid. Toch is niet alles verloren: de bibliotheekvloer is bezaaid met boeken waarvan er nog een heleboel gerecupereerd kunnen worden.

“Ondanks alle ellende willen we er zo snel mogelijk voor zorgen dat de kinderen uit de stad opnieuw onderwijs kunnen volgen’’, vertelt Unicef-medewerker Griche Leponte. “Maar we hebben dringend nood aan enkele honderden medewerkers om de boel proper te maken en weer schoolklaar te krijgen. Iedereen heeft de handen vol met het reinigen van de eigen woning.’’

Dagelijks 120 ton voedsel

Eén van de moeilijkste ondernemingen in de geteisterde stad is de dagelijkse voedseldistributie. Vanuit het centrale distributiecentrum, dat met VN-helikopters en -vrachtwagens wordt bevoorraad, vertrekt dagelijks 120 ton aan voedselpakketten naar vier verschillende locaties in de stad. Dat verloopt niet zonder slag of stoot: het centrale verdeelcentrum is al enkele keren door gewapende bendes aangevallen. Bovendien mogen zich alleen nog vrouwen en kinderen melden bij de distributiepunten. Op die manier hopen de blauwhelmen de controle te bewaren.

Per distributiepunt kunnen maximaal 3.000 mensen bevoorraad worden. In totaal zijn dus dagelijks 12.000 rantsoenen te verdelen, terwijl er in de stad wellicht 200.000 daklozen rondlopen. Delen is dus de boodschap, maar van solidariteit is in Gonaïves weinig te merken. Dat merken we als we even later een voedseldistributiepunt bezoeken, waar enkele duizenden vrouwen en kinderen al uren in de brandende zon staan te wachten op hun rantsoen.

Iedereen krijgt 17,5 kg graan of bulgur (tarwekorrels), 2,7 kg erwten, vier sardines, één brood en twintig koekjes’’, vertelt de voedselverdeler Jean Gaby Sanon. Hij windt zich vreselijk op als één van de vrouwen meer voedsel wil meenemen dan waar ze recht op heeft. “In principe krijgen ze één pakket per week, maar we kunnen op geen enkele manier uitsluiten dat bepaalde personen zich vaker aandienen en de extra voedselpakketten voor grof geld verkopen.”

In de wachtrijen lopen de gemoederen intussen hoog op. Enkele vrouwen raken slaags. Een oudere vrouw wordt in haar hand gebeten en schreeuwt het uit. Ze wordt door een toegesnelde hulpverlener geholpen, want alleen kan ze haar graanzak niet meer dragen. Door het voorval neemt de hysterie in de wachtende massa nog toe. We zien hoe voor onze ogen een klein meisje met sierlijke vlechtjes en rode jurk haast vertrappeld wordt en volledig in paniek raakt. Net op tijd wordt ze door één van de aanwezige VN-blauwhelmen uit de massa getild.

Met een gevoel van ontreddering en vooral onmacht verlaten we de onheilsplek. Pikant detail: de dag daarop bezoekt de Haïtiaanse regeringsleider het rampgebied en worden er geen voedselpakketten uitgedeeld omdat de aanwezige blauwhelmen zijn veiligheid moeten garanderen.

Hoop doet leven

Op de terugweg vragen we ons af of deze stad en haar inwoners nog een toekomst hebben. Francoise Gruloos-Ackermans, de Belgische directeur van Unicef-Haïti, volhardt. “We moeten ervoor zorgen dat de bewoners zo snel mogelijk terug naar hun huizen kunnen. We streven er nu naar op korte tijd vijftig scholen te heropenen, zodat tien- tot twaalfduizend kinderen weer onderwijs kunnen genieten. Daarnaast willen we ook werken aan de psychosociale opvang van de kinderen in Gonaïves, die door de orkaan ongetwijfeld zware trauma’s hebben opgelopen. Bovendien waren ze begin dit jaar ook al getuige van de politieke onlusten die tot de afzetting van Aristide hebben geleid.’’

De jongeren zijn de enige hoop op een betere toekomst voor dit land. “Dat zij nog vatbaar zijn voor verandering, blijkt uit het project Timoun Ké Kontan dat we samen met enkele plaatselijke ngo’s hebben opgezet. Daarbij zijn zo’n 15.000 jongeren betrokken die op de één of andere manier het slachtoffer werden van politiek geweld. In vijf steden in het noorden van het land spraken we telkens drieduizend kinderen tussen zes en tien jaar aan. Die verdeelden we over een dertigtal publieke en privé-scholen, waar we hen proberen te overtuigen van het belang van waarden als respect, tolerantie en verantwoordelijkheid. Daarnaast bieden we hun creatieve en sportieve activiteiten aan. Het agressieve, gewelddadige gedrag dat de kinderen aanvankelijk vertoonden, ebt daardoor langzaam weg. Ze voelen zich steeds beter in hun vel. Het land heeft nood aan zulke projecten. We hebben trouwens heel goede reacties gekregen van de rijkere klasse in Haïti. Ons doel is om zoveel mogelijk Haïtiaanse kinderen dat soort kansen te bieden. Het is de enige manier om de spiraal van geweld en armoede te doorbreken.’’

Deze reportage is tot stand gekomen met de steun van Unicef-België. Op www.unicef.be kunt u recente videobeelden van Gonaïves zien.

Storten kunt u op volgend rekeningnummer van Unicef: 000-0000055-55

 

Ruud Van De Locht

 

64.000 Irakese kinderen lopen opnieuw school

Het gedonder van de Amerikaanse bommen en overvliegende B-52’s is intussen opgehouden in Irak. Maar de menselijke ellende toont pas nu zijn ware gezicht. Ook al bestaat er quasi geen onafhankelijke informatie en cijfermateriaal; de Iraakse bevolking likt nog jaren zijn wonden. Grootste slachtoffers? Eens te meer jonge, weerloze kinderen door een gebrek aan drinkwater en een volledig gebrek aan degelijk onderwijs. UNICEF België vliegt één van de volgende weken alvast 800 schoolkits over naar het getroffen land waardoor 64.000 lagere schoolkinderen opnieuw les kunnen volgen.

Vorige week keerden de eerste vijf internationale UNICEF-medewerkers terug naar Irak.  Ze vertrokken vanuit de grensstreek met Turkije richting Erbil (Noord-Irak). Dit is een belangrijke stap uit de chaos die de rest van het land beheerst. UNICEF heeft momenteel circa tweehonderd Iraakse medewerkers in het land. Zij houden, ondanks de bombardementen, de dagelijkse hulpverlening zoveel mogelijk in stand. In Bagdad werden grote aantallen waterzuiveringstabletten uitgedeeld en is voedsel verstrekt aan kinderen in tehuizen. In het noorden van Irak hebben trucks vanuit Turkije de afgelopen dagen tonnen hulpmaterialen aangevoerd, waaronder eerste hulp kits en schoolmaterialen. Vanuit Koeweit hebben ruim negentig trucks de inwoners van onder meer Basra, Safwan en Zubair in het zuiden van Irak voorzien van drinkwater en medische materialen.

Aan de grenzen van Irak staan echter nog veel meer UNICEF-hulpgoederen en -medewerkers klaar om de kinderen van Irak op grote schaal zo snel mogelijk te voorzien van voeding, water, medicijnen en onderwijsmaterialen. Kinderen krijgen weer onderwijs, maar net zo belangrijk is dat ze kunnen spelen in een veilige omgeving en kunnen praten over hun ervaringen. Hulpverleners van UNICEF zullen de komende weken bijzondere aandacht schenken aan het verstrekken van psychische bijstand aan de kinderen, die getraumatiseerd zijn door de oorlog.

Landmijnen opsporen

Geert Cappelaere werkt voor het regionaal kantoor van UNICEF Afrika en het Midden-Oosten. Hij is er verantwoordelijk voor de kinderbeschermingsprogramma’s in 22 landen. Programma’s die zich bezighouden met de uitbuiting van én geweld tegen kinderen en zich tevens richten tot kinderen die zich in oorlog of instellingen bevinden. Hij is reeds enkele maanden bezig met de voorbereiding van de kinderbescherming in Irak en zijn buurlanden. Deze week vertrekt hij naar Irak om er de eerste programma’s op te starten. “Een eerste prioritiei vormt de landmijneducatie. De laatste vijf dagen zijn er enkel in het noorden van Irak reeds 120 mensen gedood door landmijnen of onontplofte munitie. De clusterbommen bijvoorbeeld ogen bijzonder aantrekkelijk voor kinderen omdat ze dezelfde kleur en vorm hebben die de Amerikanen gebruiken voor hun voedselpakketten. Een gelijkaardig probleem stelde zich reeds in Afghanistan. Een tweede aandachtspunt zijn de kinderen die in instellingen verblijven. Het gevaar bestaat namelijk dat ze definitief van hun gezin worden afgesneden. Wij proberen hen daarom zoveel mogelijk terug bij hun ouders of andere directe familieleden te brengen. Dat is niet zo eenvoudig want een heleboel van die kinderen zijn buitenechtelijk. De vader is verdwenen en voor de moeder is het vaak moeilijk om voor dergelijk kind te zorgen vanwege het taboe dat erop rust. Tijdens het conflict hebben we 80% van de kinderen uit instellingen kunnen reïntegreren in hun familie en daar zijn we heel erg fier op.”

Geert Cappelaere is eveneens gelukkig met het feit dat het vluchtelingenprobleem buiten Irak momenteel relatief beperkt is. “In totaal gaat het om plusminus 25.000 mensen waaronder slechts een beperkt aantal kinderen. Een gevolg van het feit dat de oorlog relatief kort is. Bovendien durven mensen hun eigendommen niet verlaten uit schrik dat ze ingenomen en geplunderd worden door anderen. Een probleem dat trouwens nog wel een hele tijd kan aanhouden. Tot slot beschikt een groot gedeelte van de bevolking, tengevolge de jarenlange sancties tegen Irak, niet over de middelen om te emigreren en zich in een ander land te vestigen. Maar dat belet niet dat we geen aandacht aan het vluchtelingenprobleem schenken, want soms word je geconfronteerd met erg schrijnende situaties. Onlangs heeft Syrië nog 34 Iraakse kinderen uitgewezen omdat ze afkomstig waren van Tikrit, de geboortestad van Saddam Hoessein. Syrië doet dit onder de Amerikaanse druk om geen onderdak te verlenen aan handlangers van de gewezen dictator.”

Een vierde probleem waarmee UNICEF geconfronteerd wordt, is dat van de jeugdcriminelen. “Die worden nu door de coalitiepartners vrij hard aangepakt terwijl wij een constructieve oplossing willen zoeken en vermijden dat ze met volwassenen in de gevangenis terechtkomen. De eerste rapporten melden dat het aantal kinderen dat op straat ronddoolt, heel erg groot is. Via onze onderwijsprogramma’s proberen we ervoor te zorgen dat deze kinderen zoveel mogelijk terug naar school kunnen, maar een aantal onder hen heeft ongetwijfeld extra bijstand nodig.”

Drinkbaar water

Het grootste probleem voor Irak is het gebrek aan drinkbaar water. “Dat veroorzaakt allerlei ziektes”, vertelt Geert. “Het aantal kinderen dat momenteel, vooral in het zuiden van het land, aan diarree lijdt, is onvoorstelbaar groot. Daarom voorzien onze hulpkonvooien zoveel mogelijk gehydrateerde zouten. Maar het probleem wordt pas echt opgelost wanneer er opnieuw drinkbaar water is. Dat kan nog even duren, want we moeten eerst bekijken welke schade de waterleidingen opliepen tengevolge de bombardementen. Bovendien liggen er op vele plaatsen nog landmijnen verspreid die we natuurlijk eerst moeten wegwerken vooraleer je die watervoorziening kunt herstellen. Gelukkig willen de geallieerden het probleem van water- en elektriciteitsvoorziening ook zo snel mogelijk oplossen. Want een gebrek aan stroom is eveneens een groot probleem. Niet elk ziekenhuis beschikt bijv. over een generator.”

Overleven is één zaak maar de Iraakse kinderen zijn ook psychich zwaar getekend. Kunnen die wonden nog geheeld worden? “Als je als kind drie tot vier weken lang dagelijks – letterlijk en figuurlijk – bombardementen over je hoofd krijgt, laat dat inderdaad grote trauma’s achter. Toch sta ik er telkens versteld van hoe goed kinderen daarmee kunnen omgaan. Vaak zijn ze op dat vlak veel flexibeler als volwassenen. Maar het is heel belangrijk dat deze kinderen zo snel mogelijk opnieuw een normaal leven leiden. We moeten ervoor zorgen dat ze opnieuw naar school gaan en hen niet beschouwen als probleemgevallen die behandeld moeten worden door psychiaters of psychologen, uitgezonderd een kleine groep die erg zwaar getraumatiseerd is. Onze grootste uitdaging bestaat erin om deze kinderen opnieuw een kwaliteitsvol leven te bieden”, besluit Geert Cappelaere.

Volwaardige kans op onderwijs

Zoals reeds gezegd is onderwijs een belangrijke stap naar heropbouw en een belangrijke factor bij het wegwerken van trauma’s bij kinderen. Dat is ook de mening van UNICEF-directrice Carol Bellamy die vindt dat de kinderen in Irak zo snel mogelijk opnieuw naar school moeten. Ze looft de houding van vele Iraakse ouders en leerkrachten die pleiten voor een snelle heropening van de Iraakse scholen. “In de afgelopen weken was het voor kinderen en leraren te gevaarlijk om naar school te gaan. Bovendien waren de meeste scholen in Noord-Irak ingericht als opvangcentrum voor vluchtelingen. In Bagdad en in de streek rond Basra werden vele scholen vernietigd door de bombardementen of geplunderd. In Bagdad blijft de toestand gespannen maar de voorbije week zijn de scholen in de drie noordelijke Iraakse steden Dohuk, Erbil en Sleimaniyah weer geopend. Dat is heel spontaan gebeurd wat niet vanzelfsprekend is want de leraars werken momenteel als vrijwilligers. Bovendien zijn ze bang voor represailles omdat ze onder Saddam een publieke functie vervulden. Bovendien lopen ze het risico dat hun huis volledig wordt leeggeplunderd terwijl ze voor de klas staan.”

Om het onderwijs zo snel mogelijk weer op de rails te krijgen, brachten hulpkonvooien van UNICEF schoolmaterialen naar het noorden van Irak; tegelijk met tenten, geneesmiddelen, sanitaire voorzieningen en andere hulpgoederen. “We hebben tevens het Scholen Gezondheidsprogramma hervat, waarbij de gezondheid van de kinderen op school in de gaten wordt gehouden. In Erbil en Suleimaniyah hebben we twee drukpersen gerepareerd die gebruikt worden om tekst- en examenboeken in de eigen taal te drukken”, aldus Bellamy die vindt dat de lokale initiatieven voor de heropening van de scholen de nodige steun en omkadering verdienen. “Op dit ogenblik is onderwijs veel meer dan het louter doorgeven van leerstof”, stelt ze. “Het is een teken van stabiliteit zowel voor de kinderen als voor hun ouders en de rest van de gemeenschap.  Bovendien speelt de school een belangrijke rol  bij de heropbouw. Niet enkel vanuit educatief oogpunt maar vooral omdat de scholen als centra kunnen fungeren vanwaaruit ook gezondheidsonderwijs, psycho-sociale bijstand en voedselhulp kunnen verstrekt worden”.

De voorbije weken lanceerde UNICEF België een oproep naar het Belgische publiek om de acties voor de Irakese kinderen te ondersteunen. Deze oproep stelt de Belgische afdeling in staat om UNICEF Irak 200.000 euro over te maken. Dit bedrag wordt gebruikt voor de aankoop van achthonderd schoolkits.  Een schoolkit of ‘school in a box’ bevat al het nodige materiaal voor leerkrachten en leerlingen om les te geven aan tachtig leerlingen van de lagere school (bordverf, krijt, schriften, potloden, speelmateriaal…). Dankzij deze bijdrage kunnen dus 64.000 Irakese kinderen opnieuw naar school. UNICEF België onderhandelt momenteel met het kabinet van het ministerie van Defensie voor het overvliegen van de schoolkits door de Belgische luchtmacht.

Maar dit goede nieuws neemt niet weg dat er nog veel werk aan de winkel is. Zo moeten er 5.000 nieuwe scholen gebouwd worden en dienen er tussen de zes- en zevenduizend scholen hersteld te worden (ramen, elektriciteit, sanitaire voorzieningen). Om een overbevolking in de klassen te voorkomen, wordt onderwijs in ‘shiften’ georganiseerd. Voor de oorlog in 1991, ging ongeveer 98 % van de Irakese kinderen naar school. Begin 2003 was dit cijfer gedaald tot 76 %.  Ongeveer 1 kind op 4 gaat niet naar school.  De meesten onder hen zijn meisjes.
Uw financiële steun is dus nog steeds erg welkom op het rekeningnummer van UNICEF België: 000-0000055-55

Ruud Van De Locht

Geven aan goede doelen: het laatste taboe?

Deze week is gans Vlaanderen weer in de ban van Music for Life. Jong en ouder kijken niet op een liter energie of druppel zweet meer of minder om via één of andere actie geld bij elkaar te sprokkelen voor één van de duizend vzw’s die deelnemen aan de StuBru-actie. Dat is absoluut hartverwarmend, vooral omdat blijkt dat er zich onder de ‘actievoerders’ veel kinderen en jongeren bevinden.

Moeten we hieruit besluiten dat wij Belgen toch wel een heel erg gul volk zijn?

Helaas klopt dat niet helemaal want in de World Giving Index bekleedt België pas de 48ste plaats wereldwijd. Nederlanders geven vier keer meer aan goede doelen dan een Belg. Er is dus nog werk aan de winkel als we een geefcultuur willen creëren. Daaraan kunnen we trouwens op een heel eenvoudige manier met zijn allen een steentje bijdragen. Hoe? Zorg ervoor dat geven normaal wordt!

Eén van de beste manieren om mensen tot een mentaliteitsverandering aan te zetten, is voorbeeldgedrag. “Mensen zijn veel meer geneigd een euro te gooien in de pet van de bedelaar op straat wanneer iemand anders hen dat voordoet. Door geven zichtbaar te maken, zorgen we ervoor dat het normaal wordt, en wie weet in de toekomst de norm”, stellen Tobias Leenaert (oprichter vzw Ethisch Vegetarisch Alternatief) en Stijn Bruers, (doctor moraalfilosofie aan de UGent) in De Morgen. Of blijven we ‘Arm Vlaanderen’ zoals collega-blogger Guido Everaert zich in dezelfde krant afvraagt: “Eén warme week in een koud Vlaanderen, is dat waar we heen gaan?” Daarom een warme oproep aan iedereen die geeft: maak dit aub bekend!

De kans is groot dat je zo anderen ook aanzet tot geven. En durf nog een stap verder gaan: vertel er bovendien bij hoeveel u geeft. Laat die schroom vallen om hierover open te communiceren. Of heeft u nooit gehoord van het spreekwoord: “Wie geeft wat hij heeft, is waard dat hij leeft.” Want het is helemaal niet belangrijk hoeveel je geeft, het geven op zich is waar het om draait.

Dat kan vandaag perfect via de sociale media. Deel met je volgers dat en hoeveel je geschonken hebt aan welke ngo, vzw of andere goedhartige organisatie. Klinisch psychologe Mia Leijssen verklaarde vorige week nog dat het wetenschappelijk bewezen is dat geven ons wel degelijk gelukkig maakt. Wat houdt je tegen om dit geluk te delen met anderen?

Het zou in ieder geval een SM-verademing vormen voor de ontelbare idiote posts die je vandaag leest over ons huis-, tuin- en keukengedrag…