64.000 Irakese kinderen lopen opnieuw school

Het gedonder van de Amerikaanse bommen en overvliegende B-52’s is intussen opgehouden in Irak. Maar de menselijke ellende toont pas nu zijn ware gezicht. Ook al bestaat er quasi geen onafhankelijke informatie en cijfermateriaal; de Iraakse bevolking likt nog jaren zijn wonden. Grootste slachtoffers? Eens te meer jonge, weerloze kinderen door een gebrek aan drinkwater en een volledig gebrek aan degelijk onderwijs. UNICEF België vliegt één van de volgende weken alvast 800 schoolkits over naar het getroffen land waardoor 64.000 lagere schoolkinderen opnieuw les kunnen volgen.

Vorige week keerden de eerste vijf internationale UNICEF-medewerkers terug naar Irak.  Ze vertrokken vanuit de grensstreek met Turkije richting Erbil (Noord-Irak). Dit is een belangrijke stap uit de chaos die de rest van het land beheerst. UNICEF heeft momenteel circa tweehonderd Iraakse medewerkers in het land. Zij houden, ondanks de bombardementen, de dagelijkse hulpverlening zoveel mogelijk in stand. In Bagdad werden grote aantallen waterzuiveringstabletten uitgedeeld en is voedsel verstrekt aan kinderen in tehuizen. In het noorden van Irak hebben trucks vanuit Turkije de afgelopen dagen tonnen hulpmaterialen aangevoerd, waaronder eerste hulp kits en schoolmaterialen. Vanuit Koeweit hebben ruim negentig trucks de inwoners van onder meer Basra, Safwan en Zubair in het zuiden van Irak voorzien van drinkwater en medische materialen.

Aan de grenzen van Irak staan echter nog veel meer UNICEF-hulpgoederen en -medewerkers klaar om de kinderen van Irak op grote schaal zo snel mogelijk te voorzien van voeding, water, medicijnen en onderwijsmaterialen. Kinderen krijgen weer onderwijs, maar net zo belangrijk is dat ze kunnen spelen in een veilige omgeving en kunnen praten over hun ervaringen. Hulpverleners van UNICEF zullen de komende weken bijzondere aandacht schenken aan het verstrekken van psychische bijstand aan de kinderen, die getraumatiseerd zijn door de oorlog.

Landmijnen opsporen

Geert Cappelaere werkt voor het regionaal kantoor van UNICEF Afrika en het Midden-Oosten. Hij is er verantwoordelijk voor de kinderbeschermingsprogramma’s in 22 landen. Programma’s die zich bezighouden met de uitbuiting van én geweld tegen kinderen en zich tevens richten tot kinderen die zich in oorlog of instellingen bevinden. Hij is reeds enkele maanden bezig met de voorbereiding van de kinderbescherming in Irak en zijn buurlanden. Deze week vertrekt hij naar Irak om er de eerste programma’s op te starten. “Een eerste prioritiei vormt de landmijneducatie. De laatste vijf dagen zijn er enkel in het noorden van Irak reeds 120 mensen gedood door landmijnen of onontplofte munitie. De clusterbommen bijvoorbeeld ogen bijzonder aantrekkelijk voor kinderen omdat ze dezelfde kleur en vorm hebben die de Amerikanen gebruiken voor hun voedselpakketten. Een gelijkaardig probleem stelde zich reeds in Afghanistan. Een tweede aandachtspunt zijn de kinderen die in instellingen verblijven. Het gevaar bestaat namelijk dat ze definitief van hun gezin worden afgesneden. Wij proberen hen daarom zoveel mogelijk terug bij hun ouders of andere directe familieleden te brengen. Dat is niet zo eenvoudig want een heleboel van die kinderen zijn buitenechtelijk. De vader is verdwenen en voor de moeder is het vaak moeilijk om voor dergelijk kind te zorgen vanwege het taboe dat erop rust. Tijdens het conflict hebben we 80% van de kinderen uit instellingen kunnen reïntegreren in hun familie en daar zijn we heel erg fier op.”

Geert Cappelaere is eveneens gelukkig met het feit dat het vluchtelingenprobleem buiten Irak momenteel relatief beperkt is. “In totaal gaat het om plusminus 25.000 mensen waaronder slechts een beperkt aantal kinderen. Een gevolg van het feit dat de oorlog relatief kort is. Bovendien durven mensen hun eigendommen niet verlaten uit schrik dat ze ingenomen en geplunderd worden door anderen. Een probleem dat trouwens nog wel een hele tijd kan aanhouden. Tot slot beschikt een groot gedeelte van de bevolking, tengevolge de jarenlange sancties tegen Irak, niet over de middelen om te emigreren en zich in een ander land te vestigen. Maar dat belet niet dat we geen aandacht aan het vluchtelingenprobleem schenken, want soms word je geconfronteerd met erg schrijnende situaties. Onlangs heeft Syrië nog 34 Iraakse kinderen uitgewezen omdat ze afkomstig waren van Tikrit, de geboortestad van Saddam Hoessein. Syrië doet dit onder de Amerikaanse druk om geen onderdak te verlenen aan handlangers van de gewezen dictator.”

Een vierde probleem waarmee UNICEF geconfronteerd wordt, is dat van de jeugdcriminelen. “Die worden nu door de coalitiepartners vrij hard aangepakt terwijl wij een constructieve oplossing willen zoeken en vermijden dat ze met volwassenen in de gevangenis terechtkomen. De eerste rapporten melden dat het aantal kinderen dat op straat ronddoolt, heel erg groot is. Via onze onderwijsprogramma’s proberen we ervoor te zorgen dat deze kinderen zoveel mogelijk terug naar school kunnen, maar een aantal onder hen heeft ongetwijfeld extra bijstand nodig.”

Drinkbaar water

Het grootste probleem voor Irak is het gebrek aan drinkbaar water. “Dat veroorzaakt allerlei ziektes”, vertelt Geert. “Het aantal kinderen dat momenteel, vooral in het zuiden van het land, aan diarree lijdt, is onvoorstelbaar groot. Daarom voorzien onze hulpkonvooien zoveel mogelijk gehydrateerde zouten. Maar het probleem wordt pas echt opgelost wanneer er opnieuw drinkbaar water is. Dat kan nog even duren, want we moeten eerst bekijken welke schade de waterleidingen opliepen tengevolge de bombardementen. Bovendien liggen er op vele plaatsen nog landmijnen verspreid die we natuurlijk eerst moeten wegwerken vooraleer je die watervoorziening kunt herstellen. Gelukkig willen de geallieerden het probleem van water- en elektriciteitsvoorziening ook zo snel mogelijk oplossen. Want een gebrek aan stroom is eveneens een groot probleem. Niet elk ziekenhuis beschikt bijv. over een generator.”

Overleven is één zaak maar de Iraakse kinderen zijn ook psychich zwaar getekend. Kunnen die wonden nog geheeld worden? “Als je als kind drie tot vier weken lang dagelijks – letterlijk en figuurlijk – bombardementen over je hoofd krijgt, laat dat inderdaad grote trauma’s achter. Toch sta ik er telkens versteld van hoe goed kinderen daarmee kunnen omgaan. Vaak zijn ze op dat vlak veel flexibeler als volwassenen. Maar het is heel belangrijk dat deze kinderen zo snel mogelijk opnieuw een normaal leven leiden. We moeten ervoor zorgen dat ze opnieuw naar school gaan en hen niet beschouwen als probleemgevallen die behandeld moeten worden door psychiaters of psychologen, uitgezonderd een kleine groep die erg zwaar getraumatiseerd is. Onze grootste uitdaging bestaat erin om deze kinderen opnieuw een kwaliteitsvol leven te bieden”, besluit Geert Cappelaere.

Volwaardige kans op onderwijs

Zoals reeds gezegd is onderwijs een belangrijke stap naar heropbouw en een belangrijke factor bij het wegwerken van trauma’s bij kinderen. Dat is ook de mening van UNICEF-directrice Carol Bellamy die vindt dat de kinderen in Irak zo snel mogelijk opnieuw naar school moeten. Ze looft de houding van vele Iraakse ouders en leerkrachten die pleiten voor een snelle heropening van de Iraakse scholen. “In de afgelopen weken was het voor kinderen en leraren te gevaarlijk om naar school te gaan. Bovendien waren de meeste scholen in Noord-Irak ingericht als opvangcentrum voor vluchtelingen. In Bagdad en in de streek rond Basra werden vele scholen vernietigd door de bombardementen of geplunderd. In Bagdad blijft de toestand gespannen maar de voorbije week zijn de scholen in de drie noordelijke Iraakse steden Dohuk, Erbil en Sleimaniyah weer geopend. Dat is heel spontaan gebeurd wat niet vanzelfsprekend is want de leraars werken momenteel als vrijwilligers. Bovendien zijn ze bang voor represailles omdat ze onder Saddam een publieke functie vervulden. Bovendien lopen ze het risico dat hun huis volledig wordt leeggeplunderd terwijl ze voor de klas staan.”

Om het onderwijs zo snel mogelijk weer op de rails te krijgen, brachten hulpkonvooien van UNICEF schoolmaterialen naar het noorden van Irak; tegelijk met tenten, geneesmiddelen, sanitaire voorzieningen en andere hulpgoederen. “We hebben tevens het Scholen Gezondheidsprogramma hervat, waarbij de gezondheid van de kinderen op school in de gaten wordt gehouden. In Erbil en Suleimaniyah hebben we twee drukpersen gerepareerd die gebruikt worden om tekst- en examenboeken in de eigen taal te drukken”, aldus Bellamy die vindt dat de lokale initiatieven voor de heropening van de scholen de nodige steun en omkadering verdienen. “Op dit ogenblik is onderwijs veel meer dan het louter doorgeven van leerstof”, stelt ze. “Het is een teken van stabiliteit zowel voor de kinderen als voor hun ouders en de rest van de gemeenschap.  Bovendien speelt de school een belangrijke rol  bij de heropbouw. Niet enkel vanuit educatief oogpunt maar vooral omdat de scholen als centra kunnen fungeren vanwaaruit ook gezondheidsonderwijs, psycho-sociale bijstand en voedselhulp kunnen verstrekt worden”.

De voorbije weken lanceerde UNICEF België een oproep naar het Belgische publiek om de acties voor de Irakese kinderen te ondersteunen. Deze oproep stelt de Belgische afdeling in staat om UNICEF Irak 200.000 euro over te maken. Dit bedrag wordt gebruikt voor de aankoop van achthonderd schoolkits.  Een schoolkit of ‘school in a box’ bevat al het nodige materiaal voor leerkrachten en leerlingen om les te geven aan tachtig leerlingen van de lagere school (bordverf, krijt, schriften, potloden, speelmateriaal…). Dankzij deze bijdrage kunnen dus 64.000 Irakese kinderen opnieuw naar school. UNICEF België onderhandelt momenteel met het kabinet van het ministerie van Defensie voor het overvliegen van de schoolkits door de Belgische luchtmacht.

Maar dit goede nieuws neemt niet weg dat er nog veel werk aan de winkel is. Zo moeten er 5.000 nieuwe scholen gebouwd worden en dienen er tussen de zes- en zevenduizend scholen hersteld te worden (ramen, elektriciteit, sanitaire voorzieningen). Om een overbevolking in de klassen te voorkomen, wordt onderwijs in ‘shiften’ georganiseerd. Voor de oorlog in 1991, ging ongeveer 98 % van de Irakese kinderen naar school. Begin 2003 was dit cijfer gedaald tot 76 %.  Ongeveer 1 kind op 4 gaat niet naar school.  De meesten onder hen zijn meisjes.
Uw financiële steun is dus nog steeds erg welkom op het rekeningnummer van UNICEF België: 000-0000055-55

Ruud Van De Locht

You may also like

Leave a comment